Midas dwaalt zich af......
Fons Haagmans en ik kunnen niet samen door één deur. Dat dateert nog uit de tijd dat ik 's avonds in Maastricht aan de ABK studeerde en Fons een van mijn docenten was. Behalve hem liepen er destijds nog een aantal van die arrogante zakken rond, ik wil ze niet allemaal bij naam noemen, dat bewaar ik voor later. Ik heb hem laatst nog eens daarop aangesproken. Hij beweert zich mij niet te herinneren. Wie gelooft wordt zalig.... Ik herinner me hem als de dag van gisteren als een buitengewoon van zichzelf ingenomen narcist die de kunst beschouwde als een soort religie en zichzelf als de zelfbenoemde paus. Ik had niks op met zijn vergezochte, miniminalistische, conceptuele flutschilderijen, kortom shit in mijn ogen. Hijzelf werd razend door mijn directe manier van schilderen, zonder pretenties en niet gebaseert op welke theorie of rookgordijn dan ook. Regelmatig kwam het dan ook voor dat we elkaar bijna in de haren vlogen. Dat wil zeggen: hij vloog mij bijna in de haren. Ikzelf had toen niet zo veel aandacht voor hem. Ik zat vooral op de akademie omdat je dan werkruimte en aanspraak had. Het was voor hem dan ook onverteerbaar dat ik me niet liet beïnvloeden. Wel mijn beste vriend uit die tijd, Alex Zeguers, die trok steeds meer op met zijne heiligheid, liet mij verder links liggen en werd voor zijn volgzaamheid dan ook beloond met een tentoonstelling in het Bonnefanten en voorzien van relevante informatie betreffende subsidies ed.. De scheldpartijen beu, heb ik uiteindelijk mijn boeltje gepakt en ben vertrokken. Op dat moment was er voor mij sowiso niks meer te leren op de ABK. Dat ik hier nu aan denk, komt vooral omdat je tegenwoordig, overal waar je als kunstenaar aan wil deelnemen, (bijvoorbeeld de Maastrichtse KUNSTTOUR) wordt onderworpen aan een antecedentenonderzoek, dat niet zou misstaan bij de aanstelling van een bankdirecteur, maar dat bij het beoordelen van kunstenaars als een tang op een varken slaat. Die kleinzielige boekhoudersmentaliteit stuit me tegen de borst. Uit het wel of niet afmaken van een academie kun je helemaal niets aflezen betreffende de kwaliteiten van kunstbeoefenaars. Integendeel, jezelf voor zo'n lange periode aan de leiband laten nemen door een opleidingsfabriek, wijst eerder op het ontbreken van een eigen wil en visie. Een kunstenaar kiest zijn eigen traject. Haagmans, dus. Enkel jaren geleden had hij weer eens een tentoonstelling in het Bonnefanten. Zoals gewoonlijk deed het tentoongestelde me niet veel. Op een van de onderdelen na: een installatie met een videoshow waar hij zelf verkleed als een haas of konijn melancholisch heen en weer "sjoenkelde" op de muziek van (waarschijnlijk) Lenie en Ludwig die speelden en zongen: "Weiter nur Zu". De tekst over het Zigeunerkind dat steeds verder moest trekken in de weide wereld, leek me een fantastische allegorie voor het leven van de mens op zich en van de kunstenaar als haar exponent bij uitstek. De hele sfeer, de muziek, de heen en weer deinende haagmans in zijn vermomming, alles werkte betoverend. Een andere reden voor die betovering was dat die muziek mij meteen terug torpedeerde naar de jaren vijftig en het mijnwerkersleven in die tijd. Dat hebben we dan toch gemeen. Haagmans komt uit Hoensbroek, ikzelf uit Kerkrade. Beide plaatsen draaiden destijds hoofdzakelijk op het zwarte goud. De oplettende lezer weet dat ik me de laatste tijd vooral onledig houd met het studeren der gitaar. Blues is een van mijn interessegebieden op dat instrument. Begin jaren 60, speelden bandjes als de Stones, Pretty Things, Them, Spencer Davis, Animals en vele anderen nummers van John Lee Hooker, BB King, Muddy Waters, Willie Dixon etc. De oorspronkelijke artiesten kwamen toen vanzelf ook in de aandacht. Helaas kwam er een golf van witte vertolkers van dat gerne op de markt (John Mayal, Fleetwood Mac, Cuby + Blizzards) die er met de roem en de platenverkoop aan de haal gingen. Latere vertolkers, zoals Johny Winter, Rory gingen zich steeds meer te buiten aan steeds luider, langduriger met noten volgepropte razende solo's en daarmee was voor mij de lol er af. sowiso namen tegen die tijd andere drugs het over van de alcohol en moest muziek opeens psychedelisch zijn om nog in de smaak te vallen. Nu ik er weer aandacht voor heb, ga ik vanzelf verder terug in de tijd naar eerdere generaties en kom terecht bij artiesten als Robert Johnson, Leadbelly, Blind Lemon Jefferson en van daar uit dan weer bij Mississippi John Hurt, Blind Blake, Reverend Gary Davis....Enig speurwerk moet me dan weer brengen bij diegenen die dan weer dààrvoor de blues vertolkten, beslist de eersten waarvan nog sporadisch opnamen te vinden moeten zijn. Nog verder terug kom je dan bij etnische afrikaanse opnamen, waarvan de echo's inderdaad vaak in de (vooral Delta-)blues doorklinken. Als ik dan zo die biografieën lees van die heren in de Mississippi-delta, voel ik mij als een vis in het water. De beschrijving van dat leven destijds bregnt bij mij herinneringen boven aan de jaren vijftig in de mijnwerkerskolonieën in de oostelijke Mijstreek. Diezelfde sfeer van rustig, karig bestaan, kippenstallen, duivenhokken, varkens, honden, verweerd hout, roestige spijkers, braakliggende stukken land, zompige poelen, mannen in onderhemden en weide broeken, petjes en hoeden, mijnschachten, steenafslag. Mijn leven in ieder geval verschilde niet zoveel van de het leven van de protagonisten van Mark Twain. Zelfs de mannen waren zwart, niet van nature, maar van het kolenstof. Dan de cafe's, schemerige kale ruimten, houten vloeren met zaagsel, de lucht van verschraald bier een nicotinerook, geen ander geluid dan geroezemoes van bazelende mannen en gerinkel van glas. In die wereld onze eigen bluesartiesten, in dit geval de harmonicaspelers. Ze speelden op accordeons, maar vooral op Wiener Trekzakken. Die Lenie en Ludwig hoorden daarbij, maar ook meer vrije jongens, die op bruiloften en communiefeesten speelden, van cafe naar cafe trokken en een leven leidden dat veel overeenkomsten vertoonde met wat er over robert Johnson bekend is. Bij ons in de buurt waren dat vooral Schriebel en Hupperts, vader en zoon Schelen en vooral: Sjeng Haren.